Richtlijn herstel en beheer (water)bodemkwaliteit

Beleidsblad Woningwet en Bouwverordening

Titel:
Woningwet en Bouwverordening

Status:
Regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond zijn opgenomen in de Woningwet met de wijziging in 1998 (Staatsblad 1998, 132).
Iedere gemeente heeft een eigen vastgestelde bouwverordening.

Relatie met overige regelgeving of beleidsstukken:
Woningbouw kan enkel plaatsvinden indien B&W de grond hiervoor geschikt acht. Als criterium wordt hiervoor gehanteerd ‘geval van ernstige verontreiniging’. Hiermee wordt de link gelegd naar de Wet bodembescherming.

Doelstelling:
Veiligheid en gezondheid zijn uitgangspunten van de Woningwet. De woningwet heeft als doel de bewoning van slechte woningen onmogelijk te maken en de bouw van goede woningen te bevorderen. De wet stelt daarom bouwtechnische eisen aan alle bouwwerken. Ook is in de Woningwet een stelsel opgenomen voor bouwvergunningen.

Het bouwen op verontreinigde grond (waaronder tevens verontreinigd grondwater) moet worden tegengegaan.

Reikwijdte:
De bouwverordening bevat voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem (art. 8 Woningwet). Deze voorschriften gaan in op:

  • het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem;
  • aard en omvang van het onderzoek;
  • inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport.

Niet alle soorten van verontreiniging of bij elke mate van verontreiniging is sprake van het niet-geschikt zijn van de bodem voor dergelijke bebouwing. In de situatie dat is vastgesteld dat de bodem ongeschikt is voor de bouw, zullen in de regel saneringsmaatregelen moeten worden genomen. In de regel gaat het dan om ernstig verontreinigde bodem.

Voor de volgende bouwwerken moet de bodemkwaliteit worden getoetst:

  • bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven (verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)-dag;
  • voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning vereist is.

Inhoud:
Voor bodemverontreiniging zijn de volgende Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Woningwet van belang:

  • Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken: In dit besluit is het regime voor bouwvergunningen uitgewerkt. Het besluit bevat voorschriften voor het bouwvergunningsvrij bouwen en het bouwen waarvoor een lichte bouwvergunning vereist is.
  • Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning(Biab): In dit besluit staat hoe een bouwaanvraag moet worden ingediend en daarbij hoort een 'onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid'. In de bijlage van de Biab is in § 3.2.6 aangegeven dat een bodemonderzoek dient te bestaan uit de resultaten van een verkennend onderzoek, verricht volgens NEN-5740, bijlage B (uitgave 1999, NB: inmiddels is de NEN-5740 gewijzigd per 1 januari 2009).

Burgemeester en wethouders kunnen op grond van art. 52a van de Woningwet een besluit tot beslissing op de aanvraag van een bouwvergunning aanhouden als uit een bodemonderzoek blijkt dat de bodem ter plaatse van het te bouwen bouwwerk in zodanige mate is verontreinigd dan wel bij hen uit anderen hoofde een redelijk vermoeden bestaat dat overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Als sprake is van spoed om te saneren of als grondverzet wordt verricht, moet een sanering plaatsvinden. Zodra in een beschikking is ingestemd met het (deel)saneringsplan of zodra de BUS-melding is geaccepteerd wordt de aanhouding opgeheven en de bouwvergunning verstrekt. Daaraan kan de gemeente de voorwaarde verbinden dat met de uitvoering van de bouwplannen pas mag worden gestart na goedkeuring van de evaluatie van de sanering. [zie Beleidsblad Bodemsanering Wet bodembescherming])

Ruimte voor decentraal beleid:
In de bouwverordening worden door individuele gemeente voorschriften vastgesteld omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. Een omschrijving van deze voorschriften is globaal (hier hierboven) en biedt zo de gemeenten ruimte voor decentrale invulling van beleid, waaronder de invulling van de noodzaak voor bodemonderzoek. Veel gemeenten volgen de Modelbouwverordening van VNG (1992, met aanvullingen). In de toelichting op de Modelverordening wordt als voorbeeld van voldoende gegevens genoemd: een recent verkennend onderzoek dat kwalitatief gelijkwaardige informatie heeft opgeleverd (bodemonderzoek in het kader van aan- en verkoop of een bodemonderzoek uitgevoerd voor een eerdere bouwvergunning op het perceel). Ook een bodemkwaliteitskaart (BKK) in combinatie met een bodembeheerplan is als voldoende onderzoeksresultaat te beschouwen. Aangezien een BKK niets zegt over een lokale verontreiniging is het aan te bevelen om voor de betreffende locatie dan nog wel een historisch onderzoek (NEN 5725) te laten uitvoeren.

Instrumenten:
Bij gemeenten zijn soms checklists aanwezig in de vorm van een bodemtoets voor bouwvergunning.

Nadere informatie: