Richtlijn herstel en beheer (water)bodemkwaliteit

Beleidsblad Bodemsanering Wet bodembescherming

Titel:
Bodemsanering op grond van de Wet bodembescherming (Wbb)

Status:
De Wbb is van kracht sinds 1 januari 1987. Regels voor de sanering van de bodem zijn aan de Wbb toegevoegd in 1994 (Staatsblad 1994, 374) . De Wbb is laatstelijk gewijzigd per 13 september 2007 met Staatsblad 2007, 349

Relatie met overige regelgeving of beleidsstukken:
Voor de financiering van bodemsanering is er een relatie met de Wet stedelijke vernieuwing op grond waarvan het Investeringsbudget stedelijke vernieuwing de bodemsaneringsmiddelen voor het stedelijke gebied inzet. Voor het landelijke gebied is dat geregeld met het Investeringsbudget landelijk gebied [zie ISV en ILG].

Doelstelling:
De Wbb geeft een wettelijk kader voor de bescherming tegen verontreiniging van de bodem en voor de sanering van ernstig verontreinigde bodems.

Reikwijdte:
De regels met betrekking tot sanering van de bodem (de zogenaamde saneringsregeling; hoofdstuk IV van de Wbb) hebben betrekking op verontreiniging die is veroorzaakt vóór 1 januari 1987. Voor verontreiniging veroorzaakt na die datum geldt de zorgplicht van de Wbb (de bodembeschermingsonderdelen van de Wbb worden beschreven in apart beleidsblad [zie Bodembescherming Wet bodembescherming]).

Inhoud:
In deze samenvatting van de Wbb worden de belangrijkste elementen van de procedures rond bodemsanering gegeven:

  • melding
  • geval van ernstige bodemverontreiniging en tijdstip sanering (spoed)
  • saneringsplanprocedure
  • saneringsdoelstelling
  • tijdelijke beveiligingsmaatregelen, gefaseerde sanering en deelsanering
  • verslag van de sanering en nazorgplanprocedure
  • kadastrale registratie
  • bijzondere regels inzake sanering van de waterbodem

Melding
Iedereen die van plan is een bodem te saneren of andere activiteiten wil gaat ondernemen waardoor de bodemverontreiniging wordt verminderd of verplaatst moet dit melden aan het bevoegd gezag.
Art. 28 Wbb → eisen waaraan een melding moet voldoen
Art. 28, lid 3 → gevallen waarvoor géén melding nodig is (heeft betrekking op ernst, omvang en tijdelijkheid verplaatsing)
De melder dient het bevoegd gezag een bodemonderzoek te overleggen dat inzicht verschaft over de aard en de omvang van de bodemverontreiniging.
In een aantal situaties is het niet nodig te melden. Deze situaties zijn in artikel 28 en in het Besluit overige niet-meldingplichtige gevallen bodemsanering aangegeven.

Geval van ernstige bodemverontreiniging en tijdstip sanering (spoed)
Naar aanleiding van de melding of een nader onderzoek beschikt het bevoegd gezag over de ernst van de verontreiniging (art. 29 Wbb) en het tijdstip waarop met de sanering dient te worden begonnen (art. 37 Wbb, spoed of geen spoed). Paragraaf 5.2 van de Circulaire bodemsaneringgeeft aan wat in ieder geval dient te worden opgenomen in de beschikking ernst en spoed.

Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging indien voor tenminste één stof de gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m3 bodemvolume in het geval van bodem- of sedimentverontreiniging, of 100 m³ poriënverzadigd bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde (Circulaire bodemsanering, par. 2.1 ).
Indien ten gevolge van een ongewoon voorval een geval van ernstige verontreiniging ontstaat of de bodem ernstig is of dreigt te worden aangetast, heeft het bevoegd gezag instrumenten om handelingen te staken, onderzoeken te laten uitvoeren of sanerende maatregelen te treffen (Art. 30-35 Wbb).

Bij ernstige verontreiniging is sprake van een potentieel risico dat aanleiding geeft tot een vorm van saneren of beheren. Risico’s hebben een directe relatie met gebruik van de bodem en daarmee met de functie. Voor het bepalen of sprake is van onaanvaardbare risico’s waardoor de sanering met spoed moet worden uitgevoerd, staan regels in de Circulaire bodemsanering.

Saneringsplanprocedure
Als op basis van de risicobeoordeling is aangetoond dat de sanering met spoed moet worden uitgevoerd geeft het bevoegd gezag in de beschikking van ernst en spoed het tijdstip aan waarop met de sanering dient te worden begonnen. Hiertoe dient een door het bevoegd gezag beschikt en goedgekeurd saneringsplan aanwezig te zijn. In de beschikking op het saneringsplan kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen aan de sanering.
Art. 39 geeft de onderdelen aan die een saneringsplan dient te bevatten. Bevoegd gezag kan hier aanvullingen op voorschrijven [zie Beleid en wetgeving, bodem- en waterbodembeleid, regionaal].
De saneerder voert de sanering uit overeenkomstig het door het bevoegd gezag goedgekeurde saneringsplan en de voorschriften die zij aan de instemming hebben verbonden. Wijzigingen van het saneringsplan dienen uiterlijk twee weken voorafgaand aan de uitvoering daarvan aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd.

Voor saneringen die onder BUS vallen, geldt een afwijkende procedure voor meldingen en saneringsplannen [zie Besluit uniforme saneringen].

Saneringsdoelstelling
Vanaf 1 januari 2006 kan functiegericht en kosteneffectief saneren direct worden gebaseerd op het nieuwe artikel 38, verder uitgewerkt in de Circulaire bodemsanering.

In het saneringsplan moet het gekozen saneringsdoel en de wijze waarop deze wordt gerealiseerd met de saneringmaatregelen (saneringsvariant) worden onderbouwd.
Het bevoegd gezag beoordeelt of de voorgestelde saneringswijze uiteindelijk de meest kosteneffectieve is en legt in de beschikking vast of met het saneringsplan kan worden ingestemd.

Tijdelijke beveiligingsmaatregelen, gefaseerde sanering en deelsanering
Het uitgangspunt bij de uitvoering van een bodemsanering is dat het gehele geval van ernstige verontreiniging wordt aangepakt. Bij relatief kleine gevallen die met spoed gesaneerd dienen te worden zal de sanering van het hele geval in één keer de voorkeur hebben. Het saneringscriterium verplicht om tenminste dat deel van het geval van ernstige verontreiniging spoedig te saneren dat leidt tot onaanvaardbare risico’s. Als de situatie daartoe aanleiding geeft kunnen tevens beheermaatregelen worden opgelegd voor het overige deel van het geval van ernstige verontreiniging. De aanpak zal per geval verschillen. De wet kent drie mogelijkheden om een flexibele aanpak te ondersteunen.

  1. Tijdelijke beveiligingsmaatregelen (Art. 37 Wbb lid 3)
    Tot het moment dat onaanvaardbare risico’s definitief worden weggenomen door te saneren kunnen deze risico’s worden beperkt door het nemen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen.
  2. Gefaseerde sanering (Art. Wbb 38 lid 3)
    Bij relatief grote en/of complexe gevallen sluit een gefaseerde uitvoering van de sanering vaak beter aan op de dynamiek van de locatie. Hierbij wordt in het saneringsplan aangegeven hoe het gehele geval in fasen zal worden gesaneerd. De diverse saneringsfasen zijn daarbij op hoofdlijnen uitgewerkt en gepland, de totale sanering is begroot en eventuele nazorg is beschreven. Het saneringsplan wordt beschikt, waarna per fase een gedetailleerde uitwerking van de maatregelen wordt ingediend en getoetst aan de beschikking. Een gefaseerde sanering is vooral goed toepasbaar indien in grote lijnen bekend is welke ontwikkelingen op een locatie plaats zullen vinden maar deze in verschillende perioden zullen worden gerealiseerd.
    Het bevoegd gezag maakt zichtbaar in de motivering van de beschikking op welke manier rekening wordt gehouden met de omstandigheden van het geval en de plannen die een initiatiefnemer voor een locatie heeft.
  3. Deelsanering (Art. 40 Wbb)
    Het uitvoeren van deelsaneringen is mogelijk indien dit niet strijdig is met het belang van de bescherming van de bodem. Het verschil met een gefaseerde sanering is dat niet voor het gehele geval van verontreiniging een saneringsplan wordt opgesteld maar slechts voor een deel ervan. Een deelsanering kan worden uitgevoerd voor het deel van het geval van verontreiniging waar sprake is van onaanvaardbare risico’s.
    Natuurlijk kan een deelsanering ook plaatsvinden als er geen sprake is van onaanvaardbare risico’s, maar als sanering wordt uitgevoerd ten behoeve van een gewenste ontwikkeling op de locatie. Vaak zal bij een deelsanering in verband met een bouwplan het nader onderzoek zich in eerste instantie beperken tot het betreffende gedeelte. Het bevoegd gezag kan dan aan de instemming met het saneringsplan voor de deelsanering de voorwaarde verbinden dat een nader onderzoek voor het gehele geval dient worden uitgevoerd, teneinde zicht te krijgen op mogelijke onaanvaardbare risico’s die zich daar kunnen voordoen, die dan vervolgens alsnog moeten worden aangepakt.

Verslag van de sanering en nazorgplanprocedure (Art. 39c, d, f Wbb)
Na de uitvoering van de sanering of een saneringsfase doet saneerder daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk verslag aan het bevoegd gezag. Het verslag bevat ten minste (bevoegde gezagen kunnen hieraan nadere regels stellen [zie Beleid en wetgeving, bodem- en waterbodembeleid, regionaal]) een beschrijving van de getroffen maatregelen, de bodemkwaliteit na sanering (restverontreinigingen), hoeveelheden, kwaliteit en bestemming van afgevoerd (grond)water, evaluatie van de beoogde effecten, de noodzaak van gebruiksbeperkingen en eventuele maatregelen in het belang van de bescherming van de bodem. Het bevoegd gezag beschikt op dit verslag.

Indien sprake is van gebruiksbeperkingen of indien de maatregelen in het belang van de bescherming van de bodem nodig zijn, dient de saneerder zo spoedig mogelijk na toezending van het saneringsverslag een nazorgplan bij het bevoegd gezag in te dienen. Het doel van het nazorgplan is ertoe zorg te dragen dat de restverontreiniging niet zal leiden tot een vermindering van de kwaliteit van de bodem zoals die in het saneringsverslag is vastgelegd.
In het nazorgplan zijn de gebruiksbeperkingen en maatregelen in het belang van de bescherming van de bodem beschreven. De maatregelen die in het nazorgplan zijn opgenomen kunnen onder meer in houden:

  • regelmatige inspectie van voorzieningen die tijdens de sanering zijn aangebracht;
  • tijdstip waarop tussentijds aan bevoegd gezag de resultaten van de inspectie wordt gerapporteerd;
  • in stand houden en zo nodig herstellen, verbeteren of vervangen van de voorzieningen.

Bevoegde gezagen kunnen nadere regels stellen aan de inhoud van het nazorgplan [zie Beleid en wetgeving, bodem- en waterbodembeleid, regionaal].

Het bevoegd gezag beschikt op het nazorgplan. Met de uitvoering van het nazorgplan kan worden begonnen nadat het bevoegd gezag met dat plan heeft ingestemd of die instemming van rechtswege is verleend. Aan de instemming kunnen voorschriften worden verbonden. Denk hierbij met name aan de gebruikswijzigingen die aan het bevoegd gezag dienen te worden gemeld. Op grond hiervan kan het bevoegd gezag bepalen dat een aanvullende sanering noodzakelijk is bij gebruikswijzigingen.

Aan de instemming van het bevoegd gezag op het saneringsplan kunnen voorschriften worden verbonden tot het stellen van financiële zekerheid door degene die de bodem saneert voor de saneringsmaatregelen alsmede de nazorgmaatregelen.

Kadastrale registratie (art. 55 Wbb)
Bevoegd gezag stuurt onverwijld een afschrift van een beschikking, melding en bevel aan de Dienst van het kadaster en de openbare registers ter vermelding met een korte aanduiding van de aard van de beschikking, melding of bevel bij de betrokken percelen in de kadastrale registratie.


Op 1 juli 2007 is deWet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende (Wkpb) zaken van kracht geworden.. De Wkpb moet de registratie van alle publiekrechtelijke beperkingen van de overheid verbeteren. Ook bodembesluiten waaruit publiekrechtelijke beperkingen voortvloeien vallen daaronder. In de Regeling beperkingenregistratie Wet bodembescherming staan regels hoe onroerende zaken in beschikkingen over bodemverontreiniging moeten worden aangewezen. Er wordt aangegeven wanneer sprake is van een 'beperking in de bevoegdheid tot gebruik' of een 'schuldplichtigheid' bij het nemen van bodembesluiten. Het kan gaan om een nog te saneren situatie of een situatie met een restverontreiniging. De wijze van registreren ishiermee geüniformeerd. Dit is gewenst omdat gebleken is dat er in de jaren daarvoor landelijk grote verschillen zijn ontstaan in de wijze van registreren, hetgeen afbreuk doet aan de rechtszekerheid die met de registratie wordt beoogd.

Bijzondere regels inzake sanering van de waterbodem
In art. 63 Wbb zijn bijzondere regels inzake sanering van de waterbodem gegeven. Met betrekking tot bevoegd gezag wordt onderscheid gemaakt tussen rijkswateren en regionale wateren. Voor rijkswateren is de Minister van Verkeer en Waterstaat en voor de regionale wateren de provincie bevoegd gezag. Voor de regionale wateren draagt de waterkwaliteitbeheerder (waterschappen) de zorg voor onderzoek en sanering van de waterbodem.
Het bevoegd gezag (minister / GS) kan ontheffing verlenen van de verplichting tot het opstellen van een saneringsplan indien sprake is van onderhoudsbaggerwerk. In dit geval dient een melding plaats te vinden.
Voor overheden (of bedrijven of particulieren) die (verontreinigde) waterbodem willen verwijderen - zoals het uitdiepen van sloten - geldt in de meeste gevallen dat eerst een melding dient plaats te vinden, een onderzoek naar de verontreinigingen te worden uitgevoerd en een saneringsplan te worden opgesteld. Deze dient vóór uitvoering van de verwijdering eerst door het bevoegd gezag te worden beschikt.

Na het van kracht worden van de Waterwet, naar verwachting eind 2009, worden regels over de noodzaak van sanering van de waterbodem en de uitvoering daarvan niet langer meer in de Wbb, maar in de Waterwet gesteld. [zie (waterbodems in de) Waterwet]

Ruimte voor decentraal beleid:
De Wbb bevat landelijk geldende regels. Bij de toepassing van deze regels in de praktijk door de bevoegd gezagsinstanties (12 provincies en 29 ‘rechtstreekse’ gemeenten) is op onderdelen decentraal beleid mogelijk. Elders in deze Richtlijn herstel en beheer wordt per bevoegd gezag een samenvatting gegeven van het betreffende decentrale beleid [zie Beleid en wetgeving, bodem- en waterbodembeleid, regionaal].

Instrumenten:
Handreiking Uitwisseling Wkpb op website externe linkLIB (Landelijk Informatiebeheer Bodem).
Handhavingsuitvoeringsmethode Wbb (HUM Wbb) op website externe linkSIKB.

Nadere informatie:
Informatie op externe linkwebsite VROM of op website externe linkAgentschap NL/Bodem+.
Leidraad bodembescherming, praktijkdeel onder 9100.