Beleidsblad Landelijk afvalbeheerplan
Status
De [Wet milieubeheer] (Wm) en diverse internationale richtlijnen verplichten Nederland om periodiek een of meerdere afvalbeheerplannen op te stellen. Op 03-03-03 is het eerste Landelijk afvalbeheerplan (LAP) in werking getreden. De geldingsduur van dat plan was van 2003 tot en met 2009. Het tweede LAP is geldig van 2009 tot en met 2015, met een doorkijk tot 2021.
Relatie met overige regelgeving of beleidsstukken
De Europese kaderrichtlijn afvalstoffen (richtlijn 75/442/EEG) geeft definities voor afvalstoffen, nuttige toepassing en definitieve verwijdering. Daarnaast legt de Kaderrichtlijn algemene verplichtingen op voor het inzamelen en verwerken van afval, het opstellen van afvalbeheerplannen, het verwerken van afval zonder de gezondheid van de mens in gevaar te brengen of het milieu te schaden en tot het treffen van maatregelen om preventie en nuttige toepassing te bevorderen. Zie voor meer informatie over de Kader Richtlijn afvalstoffen, het hoofdstuk KRA in deel 2 van deze leidraad. De Europese richtlijn gevaarlijk afval (richtlijn 91/689/EEG) vult deze kaderrichtlijn aan voor gevaarlijk afval.
De Europese verordening overbrenging van afvalstoffen (EVOA, verordening 259/93; zie JUR.21) bevat regels voor het vervoer van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap. Verder voorziet het Verdrag van Bazel in een wereldwijd milieubeschermend controlesysteem voor het vervoer van afvalstoffen. Dit verdrag streeft naar vermindering van het internationale vervoer van afval en stelt strikte procedures voor dit vervoer.
De Wm is de belangrijkste nationale wet voor het LAP. Door aanpassing van deze wet heeft het LAP onder meer een wettelijke basis gekregen (zie ook JUR.19). Daarnaast zijn er verscheidene besluiten en regelingen over afvalstoffen, waaraan vaak Europese richtlijnen ten grondslag liggen. Zo zijn er besluiten en regelingen voor inzameling van afvalstoffen, melding van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke stoffen, verpakking en verpakkingsafval, verwijdering van PCB's en PCT's, verwijdering van batterijen en accu's, verbranding van afvalstoffen, en vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen.
Doel en reikwijdte
Het LAP is gericht op het voorkomen en beheren van afvalstoffen waarop de Wm (hoofdstuk 10) van toepassing is. In de Wm staat dat een ieder die handelingen met afvalstoffen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, verplicht is alle maatregelen te nemen of na te laten die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, om die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Verder is het een ieder bij wie afvalstoffen ontstaan, verboden handelingen met die afvalstoffen te verrichten of na te laten, waarvan hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan. Tevens is het verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze, al dan niet in verpakking, buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden.
Inhoud
Inleiding
Het LAP bevat het beleid voor afvalpreventie en afvalbeheer. Het LAP is bedoeld voor in principe alle afvalstoffen waarop de Wm van toepassing is. Ieder bestuursorgaan moet bij het uitoefenen van een bevoegdheid voor afvalstoffen rekening houden met het LAP. Dat betekent dat het Rijk, provincies en gemeenten gebonden zijn aan het plan.
Kernpunten
Het LAP is opgedeeld in drie delen. Het eerste deel beschrijft het beleidskader en bevat de hoofdlijnen van het beleid.
Hierin wordt onder meer ingegaan op de algemene uitgangspunten, doelstellingen, internationale aspecten, organisatie, in- en uitvoer, de afzonderlijke schakels van de keten (preventie, afvalscheiding, inzameling, mengen, nuttige toepassing en verwijdering), monitoring, handhaving en uitvoering. In het tweede deel zijn de hoofdlijnen van dit beleid uitgewerkt in 34 sectorplannen voor specifieke (categorieën van) afvalstoffen. Het derde deel bevat de capaciteitsplannen voor het verwijderen van afvalstoffen door verbranden en storten. Deze plannen vormen de onderbouwing van de betreffende onderdelen in het beleidskader.
Ladder van Lansink
Bij het opstellen van het LAP is rekening gehouden met de voorkeursvolgorde en doelmatig beheer van afvalstoffen. De voorkeursvolgorde van afvalbeleid heeft betrekking op de "Ladder van Lansink". Deze ladder heeft vier treden, namelijk preventie, nuttig toepassen (producthergebruik, materiaalhergebruik, verbranding met energieterugwinning), verbranden en storten. Het doelmatig beheer van afvalstoffen houdt in dat het beheer op effectieve en efficiënte wijze gebeurt, dat er toezicht op het beheer mogelijk moet zijn, dat de continuïteit van het beheer gewaarborgd moet zijn, en dat de capaciteit van de voorzieningen voor het beheer afgestemd moet zijn op het aanbod van afvalstoffen.
In het LAP worden de volgende uitgangspunten en voorwaarden gehanteerd bij het nemen van besluiten over welke afvalstoffen door ontdoeners gescheiden moeten worden gehouden:
- Scheiding aan de bron moet resulteren in afvalstoffen die kunnen worden verwerkt tot nuttig toepasbare producten, materialen of brandstof, dan wel moet een reststroom opleveren die met minder milieudruk kan worden verwerkt dan wanneer geen scheiding aan de bron had plaatsgevonden.
- Er moet een afzetmarkt zijn dan wel kunnen worden gecreëerd voor de nuttig toepasbare producten, materialen of brandstof.
- Het milieurendement van de gescheiden inzameling en nuttige toepassing moet gelijk zijn aan of hoger zijn dan integrale inzameling en verwijdering (verbranden als vorm van verwijderen of storten).
- Als voor één of meerdere deelstromen methoden voor mechanische nascheiding van integraal afval operationeel zijn die leiden tot een gelijk of beter milieurendement van afvalbeheer, kan worden afgezien van afvalscheiding aan de bron.
- De eventuele meerkosten van bronscheiding en vervolgens gescheiden inzameling moeten maatschappelijk aanvaardbaar zijn en in verhouding staan tot het milieuvoordeel.
- De extra handelingen voor het gescheiden houden en gescheiden inzamelen moeten maatschappelijk aanvaardbaar zijn; er wordt ontdoeners niet meer gevraagd dan wat redelijk is.
- Het gescheiden houden en gescheiden afvoeren van afvalstoffen mag niet leiden tot een toename van de veiligheidsrisico's voor ontdoeners en inzamelaars. Voor sommige afvalstoffen kan het om de veiligheidsrisico's voor inzamelaars te minimaliseren, juist wenselijk zijn dat afvalscheiding aan de bron plaatsvindt.
Afvalscheiding
Deze voorwaarden worden gebruikt om het landelijk beleid voor gescheiden inzameling vorm te geven. Er blijft echter ruimte over om binnen de landelijke kaders en doelstellingen een eigen invulling te geven aan afvalscheiding aan de bron. Hiermee wordt de mogelijkheid gecreëerd om in te zetten op gescheiden inzameling van meer stromen dan waar het landelijk beleid van uitgaat.
Bedrijven zijn verplicht alle afvalstoffen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd. Onderstaande tabel geeft voor de meest voorkomende afvalstoffen een indicatie wanneer het redelijk is dat afvalscheiding plaatsvindt.
Tabel Richtlijnen afvalscheiding
|
Afvalstof |
Richtlijn afvalscheiding |
|
Gevaarlijk afval |
Altijd; onafhankelijk van bedrijfssituatie en hoeveelheid |
|
Asbest |
Altijd; onafhankelijk van bedrijfssituatie en hoeveelheid |
|
Papier & karton |
Altijd; onafhankelijk van bedrijfssituatie en hoeveelheid |
|
Wit- & bruingoed |
Altijd; onafhankelijk van bedrijfssituatie en hoeveelheid |
|
Folie |
0 kg |
|
EPS (piepschuim) |
1 rolcontainer van 240 liter (± 3 kg) |
|
Overige kunststoffen |
25 kg |
|
Autobanden |
5 banden |
|
GFT/Swill |
200 kg |
|
Groenafval |
200 kg |
|
Houten pallets |
2 pallets (± 40 kg) |
|
Overig houtafval |
40 kg |
|
Glazen verpakkingen |
1/2 rolcontainer van 240 liter (± 30 kg) |
|
Metalen |
40 kg |
|
Steenachtig materiaal / Puin |
0 kg; bij incidentele hoeveelheden 1 m3 |
|
Textiel |
40 kg |
|
Glas- en steenwol |
25 kg |
Afhankelijk van de omstandigheden kan afvalscheiding onder de waarden in de tabel ook redelijk worden geacht. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de afvalstroom geconcentreerd vrijkomt en scheiding en gescheiden afvoer eenvoudig is. Daarnaast kan het zijn dat het boven deze waarden niet redelijk is om afvalscheiding te verlangen, gezien de onevenredige belasting die dit voor een bedrijfsspecifieke situatie met zich meebrengt. Van een onevenredige belasting is sprake in het geval de kosten per ton voor de gescheiden inzameling en afvoer van de betreffende afvalstof meer dan € 45,- hoger liggen dan de kosten per ton voor de inzameling en afvoer van het ongescheiden (rest)afval. Bedrijven dienen zelf aan het bevoegd gezag aan te tonen wanneer het voor hen niet redelijk is om bepaalde afvalstoffen te scheiden.
Gescheiden inzameling en vervolgens nuttige toepassing van afvalstoffen is in de meeste gevallen goedkoper dan het verwijderen van integraal afgegeven afvalstoffen. De kostenvoordelen bij afvalscheiding aan de bron betreffen het verwerkingsdeel. Het inzamelingsdeel is in veel gevallen duurder dan gemengde inzameling. Nuttig toepassen van afval is meestal goedkoper dan storten of verbranden. Glas en metalen hebben een positieve waarde voor verwerkers. Papier & karton en textiel worden veelal tegen minimaal een nultarief door verwerkers geaccepteerd. De verwerking van klein chemisch afval is veelal duurder dan storten en verbranden. Het betreft hier echter relatief beperkte hoeveelheden in vergelijking tot andere gescheiden in te zamelen afvalstromen.
Voor vergunningplichtige bedrijven is de verplichting tot afvalscheiding onderdeel van de Wm-vergunning op. Voor bedrijven die vallen onder algemene regels van deze wet is de verplichting tot afvalscheiding neergelegd in AMvB's.
Nadere informatie
Door de implementatie van de nieuwe Kaderrichtlijn afvalstoffen, moet onder meer de Wet milieubeheer worden gewijzigd. Het voorstel voor die wetswijziging (Implementatiewet EG-kaderrichtlijn afvalstoffen) is op 30 november 2010 met algemene stemmen door de Tweede Kamer aangenomen. De Eerste Kamer heeft dat op 1 februari 2011 gedaan. Dat betekent dat de wet kan worden gepubliceerd en binnenkort van kracht wordt. Hierdoor moet ook het LAP 2009-2021 worden gewijzigd.
Informatiebronnen
